Aan de waterkant kondigt de dotterbloem het voorjaar. Met grote, intens gele bloemen fleurt de verder nog grauwe oever op.
Het is een soort die graag in het licht staat met de wortels in of net boven het water. De bodem mag best voedselrijk zijn, maar stikstofrijke bemesting verdraagt de soort slecht. De soort gedijt bij een mild maairegime (jaarlijks/om het jaar), zonder maaien raakt hij gemakkelijk overgroeid. Kortom, een best wel kritische soort die eisen stelt aan het de omgeving en het beheer. Als de dotter groeit en bloeit is dat een indicator voor goed beheer (weinig bemesting, mild maairegime).
Bijna honderd jaar geleden (1935) is er een nauwkeurige inventarisatie gemaakt van de verspreiding. Daardoor weten we vrij precies waar destijds dotterbloemen groeiden. In die periode kwamen ze (zeer) algemeen voor rond de Westeinderplassen. In die negentig jaar is er veel veranderd. In het hele land zijn veel groeiplaatsen verloren gegaan. Door woningbouw en wegenaanleg, intensiever agrarisch gebruik of juist het staken van beheer waardoor het bloemrijke rietland veranderde in bos. Ook sterke waterbeweging door toenemend gemotoriseerd vaarverkeer, maar ook harde beschoeiingen om de kanten te beschermen eisten hun tol.
De vraag is hoe vergaat het de dotterbloem rond de Westeinderplassen. Zijn het er meer of juist minder? Hoe doen ze het op de gebieden die worden beheerd door de Stichting Bovenlanden?
Allemaal vragen die zijn te beantwoorden door het veld in te gaan en onderzoek te doen. Zo zijn leden van het dotterbloem-telgroep, zeer gastvrij ontvangen door het bestuur van De Bovenlanden, drie dagen gaan varen en hebben alle groeiplaatsen uit 1935 opnieuw bezocht. Het veldwerk is al gedaan. Nu komt het uitwerken.
We kunnen wel al vast verklappen dat er nog steeds heel wat dotterbloemen in dit zeer speciale gebied zijn te zien.
Wordt vervolgd.
Dick Melman en Nico Jonker









